Wat dunkt u van de Christus? In Matteüs 22:42 heeft Jezus aan de
Farizeeën een belangrijke vraag gesteld: "Wat dunkt u van de
Christus? Wiens zoon is Hij?" Hun antwoord: "Davids zoon,"
was wel
juist<1>,
maar met een tweede vraag heeft Jezus hen erop gewezen dat
hun antwoord niet volledig was. Christus is mens Dat Christus mens is, wordt in de Schrift geleerd.
Dikwijls wordt Hij 'de zoon des mensen'
genoemd<2>.
Hij werd uit een vrouw
geboren (Lucas 1:31; 2:21; Galaten 4:4,5). Hij is in het vlees
gekomen<3> en wie
dit verloochent, is een antichrist (1 Johannes 4:2,3; 2 Johannes 7). Ook na zijn
opstanding en hemelvaart wordt Hij mens genoemd (Lucas 24:39;
Handelingen 17:30,31; 1 Timoteüs 2:5,6). Hoewel Christus mens werd en in alle opzichten aan zijn
broeders gelijk moest worden (Hebreeën 2:17), is Hij veel meer dan
eenvoudig een mens. Christus is eeuwig Christus is mens geworden (Johannes 1:14; Filippenzen
2:5-11; Hebreeën 2:14-17), wat wil zeggen dat Hij een vroeger bestaan
heeft gehad. Als Woord van God heeft Hij in het begin bestaan (Johannes 1:1;
1 Johannes 1:1; 2:13,14). In Jesaja 9:6 wordt de Messias 'Eeuwige Vader'
genoemd ['Vader' in de zin van Schepper]. Volgens Micha 5:1 is de oorsprong van
de Messias "van ouds, van de dagen der eeuwigheid". Volgens
Kolossenzen 1:17 is Hij vóór alles. En in Hebreeën 13:8
lezen wij: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in
eeuwigheid". Jezus zegt van Zichzelf in Openbaring 1:17 "Ik ben de
eerste en de laatste, het begin en het einde". Aan de Joden verklaarde Hij:
"Vóór Abraham was, BEN IK" (Johannes 8:58). Christus heeft alles geschapen De Schrift leert dat Christus in het begin heeft bestaan
en ook dat al het geschapene - al het ontstane - door Hem tot stand is gekomen.
"Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding
geworden, dat geworden is" (Johannes 1:3). "Hij is het beeld van de
onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle
dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de
onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten;
alle dingen hebben hun bestaan in Hem" (Kolossenzen 1:15-17). Aangezien
Christus Schepper van alles is, kan Hij zelf geen schepsel zijn. Hij is
vóór alles, de alpha en de omega. In het begin was Hij al. Alles
wat geworden is, is door Hem ontstaan. Sommigen beweren echter dat Christus een schepsel is,
aangezien Hij in Kolossenzen 1:5 'eerstgeborene der ganse schepping' wordt
genoemd. Wanneer echter het woord 'eerstgeborene', zoals hier, in figuurlijke zin
wordt gebruikt, is de betekenis niet 'eerst tot stand gekomen' maar 'voornaamste
in positie en macht', dit wegens de volksgewoonte in de bijbel dat de
eerstgeborene de opvolger en plaats-vervanger van de vader was. In Hebreeën
12:23 worden alle christenen eerst-geborenen genoemd. Dit betekent dat zij een
hoge positie bij hun Vader bekleden en dat zij de volle erfenis ontvangen. Soms haalt men ook Openbaring 3:14 aan, waar Jezus
zich noemt "het begin der schepping Gods", als bewijs dat Christus
een schepsel zou zijn. Net als bij 'eerstgeborene', dit argument geeft blijk van een
tekort aan kennis van de oorspronkelijke talen van de Schrift. Het Grieks woord
voor 'begin' is 'arché', wat in het Nieuwe Testament dikwijls eerste in rang
betekent i.p.v. eerste in tijd. In Lucas 20:20 wordt ditzelfde Grieks woord als 'het
gezag' vertaald. In 1 Korintiërs 15:24 wordt het als 'heerschappij'
vertaald en in Efeziërs 1:21 als 'overheid'. Men leest in Kolossenzen 2:10
dat Christus het hoofd is 'van alle overheid en macht'. Het Grieks woord voor
'overheid' is hetzelfde als voor 'begin' in Openbaring 3:14. Dat Christus het begin
van de schepping Gods is, betekent niet dat Hij het eerste schepsel was, maar dat
Hij het begin van de schepping is, doordat Hij alles geschapen heeft en zodoende
alles beheerst. Christus is vóór alles en al het geschapene is door
Hem ontstaan. Nog een tekst die soms wordt aangehaald bij een poging
om Christus tot schepsel te verlagen, is Spreuken 8:22 "De HERE heeft mij
tot aanzijn geroepen als het begin van zijn wegen, vóór zijn
werken van ouds af". Ten eerste is het hier volgens Spreuken 8:22 een
personificatie van de wijsheid die spreekt. Ten tweede blijkt het uit het volgende
vers dat de wijsheid toch ook altijd heeft bestaan: "Van eeuwigheid aan ben
ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond". Anders kan het ook
niet; want hoe zou God kunnen bestaan terwijl er nog geen wijsheid was!
Spreuken, hoofdstuk acht, is een mooi gedicht over het belang van de wijsheid.
De opzet van deze tekst is de mensen er op attent te maken dat de wijsheid
belangrijker is dan alle wereldse zaken aangezien gans de schepping op basis van
wijsheid tot stand werd gebracht. De wijsheid is het begin van Gods wegen. Christus is de Zoon van God De geloofsbelijdenis van de eerste christenen was:
"Ik geloof dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God"
(Matteüs 16:16; Handelingen 8:37). Op vele plaatsen in de Schrift wordt
Jezus Zoon van God
genoemd<4>. Hij heet zelfs de 'eniggeboren' Zoon van God (Johannes
1:14,18; 3:16). Dit wil zeggen dat niemand behalve Hij in dezelfde zin 'Zoon van
God' genoemd mag worden. Bij Zijn doop en bij Zijn verheerlijking op de berg
heeft de Vader aan Hem verklaard: "Gij zijt Mijn Zoon, de geliefde; in U
heb ik Mijn welbehagen" (Marcus 1:11; 9:7). De eerste christenen beschouwden hun belijdenis, dat
Jezus de Zoon van God is, als vanzelfsprekend een erkenning van Zijn godheid
(Matteüs 14:33; Johannes 19:7). Sommigen in onze tijd proberen echter
deze redenering om te draaien. Zij zeggen: "Aangezien Christus de zoon
van God is, kan Hij niet zelf God zijn". Deze bewering is even onredelijk als
het onredelijk is te zeggen: Jezus was de zoon des mensen, dus kan Hij zelf geen
mens zijn! In Johannes 5:18 zegt de apostel Johannes: "Hierom dan
trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat
schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God
gelijkstelde". Wanneer er staat dat Jezus de Zoon van God is, heeft
het woord 'God' in dit verband de bijzondere betekenis van 'God de Vader'. En
inderdaad, deze uitdrukking bewijst dat de Zoon niet de Vader is. Het woord 'God'
kan echter, in bredere zin, staan voor zowel Vader (Johannes 6:27), als Zoon (Johannes
20:28), als Heilige Geest (Handelingen 5:3,4). Christus is God "In den beginne was het Woord en het Woord was
bij God en het Woord was God" (Johannes 1:1). Deze tekst zegt niet
"In den beginne werd het Woord" maar "In den beginne was
het woord". En dit Woord dat in den beginne al bestond, was niet alleen bij
God; Hij was God. Dat 'het Woord' wel Christus is, wordt in vers veertien
duidelijk gemaakt. De godheid van Christus wordt hier onweerlegbaar onder
woorden gebracht. Wie de godheid van Christus verloochent, verwerpt gewoon het Woord
van God. Toch zijn er mensen die de waarheid van deze tekst niet
wensen te aanvaarden. Soms antwoorden zij: "Het Woord kan niet God zijn,
aangezien er staat dat het Woord bij God was". Dat is echter maar de helft
van wat er staat. Er staat ook "en het Woord was God". Wanneer
er staat dat het Woord bij God was, heeft het woord 'God' de betekenis van 'God
de Vader'. De Zoon was inderdaad bij de Vader in het begin. Wanneer er staat dat
het Woord God was, heeft 'God' de betekenis die zowel Vader, als Zoon, als
Heilige Geest aanduidt. Een tweede uitweg wordt gezocht door te beweren dat
"en het Woord was God" vertaald zou moeten worden met "en
het Woord was een god". Men zegt dat, aangezien er in de Griekse tekst
geen lidwoord bij 'God' staat, 'een god' de juiste vertaling is. Deze bewering berust
op een gebrekkige kennis van de Griekse taal. In het Nederlands wordt het
onderwerp van een copulatieve zin aangeduid, doordat het steeds de eerste plaats
in de zin inneemt. Maar niet in het Grieks, waar het onderwerp voor- midden- of
achterin mag
staan<5>.
Het wordt wel aangeduid door het plaatsen van een
lidwoord bij het onderwerp en het weglaten daarvan bij het
voorwerp<6>. De
afwezigheid van een lidwoord bij 'God' in de laatste zinsnede van Johannes 1:1
duidt enkel aan dat 'Het Woord' onderwerp is i.p.v. 'God'. Bij deze poging om van Christus 'een god' te maken,
wordt ook beweerd dat het Woord een geschapen god was. Dit idee is echter in
strijd met Jesaja 43:10 waar de Heer zegt: "Vóór Mij is er
geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn". Tomas is tot het inzicht gekomen dat het Woord God
was. Toen hij de verrezen Jezus voor zich zag, zei hij tot Hem: "Mijn Heer
en mijn God!" (Johannes 20:28). Ik heb wel eens zielige pogingen gehoord om de
waarheid van deze tekst te omzeilen. Iemand legde mij eens uit dat Tomas deze
woorden tot de Vader richtte en niet tot Jezus. Ik heb hem erop gewezen dat er
in vers 28 toch staat: "Tomas antwoordde en zeide tot
Hem". Jezus had net tot Tomas gesproken, dus moet 'Hem' toch op
Jezus slaan. En Tomas zei tot Hem: "Mijn Heer en mijn God!" Iemand anders zei mij eens dat 'Mijn Heer' wel tot
Christus werd gezegd, maar dat vóór Tomas 'mijn God' zei, hij zijn
hoofd en zijn handen omhoog naar de hemel had verheven, en daarmee de Vader
bedoelde. Hoe hij dat meende te weten was mij een raadsel! In ieder geval is uit
de tekst zelf toch duidelijk dat zowel 'Mijn God' als 'Mijn Heer' tot Jezus werd
gezegd [letterlijk in het Grieks: "De Heer van mij en de God van
mij"]. Nog iemand heeft zelfs durven beweren dat Tomas zo
verbaasd was Jezus te zien, dat hij 'Mijn God' als een uitroep van verbazing zei!
Maar ijdel gebruik van Gods naam wordt in de Schrift als heiligschennis ten
strengste verboden. Sommigen kunnen blijkbaar gemakkelijker geloven dat Tomas
in tegenwoordigheid van de verrezen Christus heiligschennis zou gepleegd hebben
dan dat hij Jezus God zou genoemd hebben. Net als een worm zich kronkelt en keert in een poging
om aan een vogel te ontsnappen, zo reageren valse leraars op het Woord van
God. Iemand anders heeft beweerd dat Tomas deze woorden
in zijn grote verbazing over de opstanding wel aan Christus heeft gericht, maar dat
wat hij zei in feite niet juist was. Dat Tomas met verbazing sprak, kan ik wel
geloven! Maar wij weten dat wat hij zei ook waar was uit het antwoord van Jezus
daarop: "Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet
gezien hebben en toch geloven" (Johannes 20:29). Wat geloofde Tomas?
Niet alleen dat Jezus verrezen was, maar ook dat Hij zijn Heer en God was.Tomas begreep opeens wie Jesus was. En Jezus spreekt een zegen uit over
allen die hetzelfde als Tomas geloven, al hebben zij Hem na Zijn opstanding niet
gezien. Kunt u met Tomas tot Jezus zeggen: "Mijn Heer en mijn
God"? Zo niet, dan verliest u de zegen. In Jesaja 9:6 wordt de Messias 'Sterke God'
genoemd. In Romeinen 9:5 lezen wij "en uit hen [de
Israëlieten] is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te
prijzen tot in eeuwigheid". Volgens Titus 2:12,13 moeten wij "rechtvaardig
en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de
verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus
Jezus". In Hebreeën 1:8,9 wordt van de Zoon gezegd:
"Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid
is de scepter van zijn koningschap. Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en
ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie
gezalfd boven uw deelgenoten". Petrus richt zijn tweede brief "aan hen, die een
even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze
God en Heiland, Jezus Christus". Christus is Jahwe Jahwe (soms Jehova geschreven) is een Hebreeuwse
naam voor God, die "De Altijdzijnde" betekent (zie Exodus 3:13,14).
Dit Hebreeuws woord werd steeds door de geïnspireerde schrijvers van het
Nieuwe Testament in het Grieks vertaald met 'kurios' (Heer) of 'theos' (God). [Zie
b.v. de aanhalingen uit het Oude Testament in Matteüs 3:3; 4:4; 27:10;
Handelingen 2:20; Romeinen 10:13.] Bepaalde valse leraars beweren dat 'Jahwe' (of 'Jehova')
uitsluitend op God de Vader betrekking heeft en niet op de Zoon. De
geïnspireerde schrijvers van het Nieuwe Testament echter geloofden dat de
Heilige Naam, Jahwe, De Altijdzijnde, zowel op de Zoon als op de Vader als op
de Heilige Geest betrekking heeft. In Jesaja 40:3 lezen wij een profetie over de taak van
Johannes de Doper (Marcus 1:1-4) als voorbode van de Christus: "Hoor,
iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des HEREN (Jahwe), effent in de
wildernis een baan voor onze God". De taak van Johannes de Doper was
een baan te effenen voor de Christus, de HEER (Jahwe) onze God. In Jesaja 8:13,14 lezen wij dat de HERE (Jahwe) tot een
heiligdom zou worden, "en tot een steen, waaraan men zich stoot, en tot een
rotsblok, waarover men struikelt". Volgens 1 Petrus 2:4-8 is dit
rotsblok de Christus. In Jesaja 44:6 lezen wij deze verheven proclamatie:
"Zo zegt de HERE (Jahwe), de Koning en Verlosser van Israël, de
HERE (Jahwe) der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij
is er geen God". In Openbaring 1:17 zegt Jezus: "Ik ben de eerste en
de laatste". In Psalm 24:10 wordt de vraag gesteld: "Wie is
Hij toch, de Koning der ere?" Het antwoord luidt: "De HERE (Jahwe)
der heerscharen, Hij is de Koning der ere". In 1 Korintiërs 2:8
en in Jakobus 2:1 wordt Christus "de Here der heerlijkheid"
genoemd. Jesaja heeft in een visioen "de HERE (Jahwe) der
heerscharen" gezien (Jesaja 6:5). Bij het aanhalen van deze tekst zegt
Johannes dat Jesaja de heerlijkheid van Christus heeft gezien (Johannes
12:37-41). In Joël 2:28-32 belooft God dat Hij Zijn Geest op
al wat leeft zal uitstorten en dat "ieder die de naam des HEREN (Jahwe)
aanroept, behouden zal worden". In Romeinen 10:9-15 wordt deze tekst
aangehaald en het aanroepen van de naam van Jahwe wordt vereenzelvigd met het
aanroepen van de naam van Christus. De eerste brief aan de Korintiërs werd
door Paulus gericht aan "allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus
Christus aanroepen". Niet alleen de Vader, maar ook de Zoon is de
Altijdzijnde (Jahwe). Dan begrijpen wij waarom Jezus aan de Joden zei:
"Vóór Abraham was, BEN IK" (Johannes 8:58). De
Joden begrepen het ook. Zij probeerden Hem te stenigen, omdat zij in Hem niet
geloofden. Christus is Heiland In Jesaja 43:11 lezen wij: "Ik, Ik ben de HERE
(Jahwe), en buiten Mij is er geen Verlosser". In het Nieuwe Testament lezen
wij veel over deze ene Verlosser, onze Heiland. Daar zowel Vader als Zoon 'Jahwe' (De Altijdzijnde) is,
lezen wij dat de Vader onze Heiland is (1 Timoteüs 1:1; Titus 3:4;
Judas 25) en eveneens dat Christus onze Heiland is (Lucas 2:11; Johannes 4:42;
2 Timoteüs 1:10; Titus 1:4; 3:6; Openbaring 7:10). Christus is onze
Heer en Heiland (2 Petrus 1:11; 2:20; 3:2,18). Maar volgens Jesaja 43:11
is er geen Heiland (Verlosser) behalve Jahwe. Inderdaad. Want niet alleen de
Vader, maar ook de Christus is Jahwe en Verlosser. Jezus is onze God en Heiland
(Titus 2:13; 2 Petrus 1:1). Christus is aan de Vader gelijk Jezus stelde Zich met God gelijk toen Hij God zijn eigen
Vader noemde (Johannes 5:18). Filippus zei tot Jezus: "Here, toon ons de Vader
en het is ons genoeg". Jezus zei tot hem: "Ben Ik zolang bij u,
Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe
zegt gij dan: Toon ons de Vader?" (Johannes 14:8,9). In Johannes 10:30 zegt Jezus: "Ik en de Vader zijn
één". Volgens Filippenzen 2:5 was Christus
vóór Zijn vleeswording 'in de gestalte Gods' en aan 'God gelijk'.
Volgens Kolossenzen 1:15 is Christus "het beeld van de onzichtbare
God". In Hebreeën 1:3 wordt Christus beschreven als de afstraling
van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen. Sommigen maken echter hiertegen bezwaar door naar
Johannes 14:28 te verwijzen waar Jezus zegt: "de Vader is meer dan
Ik". In welke zin de Vader meer was dan Jezus, wordt hierna duidelijk
gemaakt. Christus moest Zich ontledigen om mens te worden "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in
Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een
roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een
dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn
uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam
geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook
uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de
naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de
aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here,
tot eer van God, de Vader!" (Filippenzen 2:5-11). Een Israëliet heeft eens tegen mij gezegd, dat hij
onmogelijk kon geloven dat een mens God kon zijn. Op het eerst gezicht lijkt dit
inderdaad onmogelijk. Maar ik stelde hem een wedervraag: "Gelooft u dat
het voor God onmogelijk is mens te worden?" Van die kant gezien is het
wel mogelijk. Bij God is alles mogelijk. En hoewel ons menselijk verstand zoiets
niet volledig kan vatten, weten wij op basis van het woord van God en het leven
van Jezus dat het ook volbracht werd. Uiteraard moest Christus Zich ontledigen om 'de gestalte
van een dienstknecht' aan te nemen en 'aan de mensen gelijk' te worden. In deze bijbelse waarheid ligt de verklaring voor vele
teksten die wel eens worden aangewend in een poging om de godheid van
Christus te verloochenen, zoals: "de Vader is meer dan Ik" (Johannes
14:28); "Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader"
(Matteüs 11:27); "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in
handen gegeven" (Johannes 3:35); "van die dag ... weet niemand ...
ook de Zoon niet, maar de Vader alleen" (Matteüs 24:36);
"Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten" (Marcus 15:34); "Ik
vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God" (Johannes
20:17). Deze uitspraken van Christus houden allemaal nauw verband met Zijn
menszijn. En hoewel Hij in de gestalte van God was, moest Hij Zich ontledigen
om mens onder de mensen te worden om hen te verlossen en tot de Vader terug
te brengen. Deze ontlediging houdt echter niet in dat Christus Zich
van Zijn godheid heeft ontdaan, aangezien Hij ook tijdens Zijn dagen in het vlees
goddelijke eigenschappen bezat. Zijn hoge positie bij de Vader heeft Hij afgelegd.
Hij heeft vrijwillig de gestalte van een dienstknecht aangenomen. "En in zijn
uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam
geworden tot de dood" (Filippenzen 2:8). In die gestalte van een dienstknecht heeft Hij
gezegd: "De Vader is meer dan Ik". De ontlediging van Christus geeft ook de aanleiding tot
de teksten die zeggen dat Hij werd verhoogd, zoals b.v. Filippenzen 2:9
"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd". Nadat Hij Zich
vernederd had, werd Hij weer verhoogd. Deze teksten leveren dan geen bewijs
tegen de godheid van Christus. In het begin was het Woord bij God en het Woord
was God (Johannes 1:1). Hij deelde alle goddelijke heerlijkheid met Zijn Vader
(Johannes 17:5). Hij is vlees geworden (Johannes 1:14). En als mens was Hij
zelfs na Zijn opstanding nog niet tot de Vader gegaan (Johannes 20:17). Bij Zijn
hemelvaart werd deze mens verhoogd tot de rechterhand van de Vader
(Filippenzen 2:9-11; Handelingen 2:32-36; 5:30,31). Bij de Vader 'in de gestalte
Gods zijnde' (vergelijk Filippenzen 2:6,9 met Johannes 17:5) maar thans ook mens
geworden, treedt Christus nu op als Middelaar: "Want er is
één God en ook één middelaar tussen God en
mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor
allen" (1 Timoteüs 2:5). Wegens de vrijwillige ontlediging van Christus mag men
teksten over zijn mens-zijn niet aanwenden als bewijs tegen Zijn godheid. Wij moeten Christus eren gelijk wij de Vader eren "Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft
het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij de
Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden
heeft" (Johannes 5:22,23). Wanneer wij de Zoon niet eren gelijk wij de vader eren,
eren wij de Vader ook niet. Dit is een ernstig verwijt aan het adres van valse
leraars die weigeren Christus te aanbidden. Alleen God mogen wij aanbidden en dienen
(Matteüs 4:10). Petrus heeft hulde van de hand gewezen (Handelingen
10:25,26). Volgens Kolossenzen 2:18 en Openbaring 22:8,9 mogen wij engelen
niet aanbidden, maar alleen God. Aangezien Christus God is, moeten wij Hem
aanbidden. Wij moeten Hem eren gelijk wij de Vader eren. Na Zijn opstanding werd Jezus door Maria van Magdala
en de andere Maria aanbeden. "En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide:
Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden
Hem" (Matteüs 28:9). De elf discipelen hebben Hem ook aanbeden: "En
toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen twijfelden"
(Matteüs 28:17). De engelen en alle schepselen moeten Christus
aanbidden. "En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt,
spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen" (Hebreeën
1:6). "En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon,
en van de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen
en duizenden duizendtallen, zeggende met luider stem: Het Lam, dat geslacht is,
is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en
de eer en de heerlijkheid en de lof. En alle schepsel in de hemel en op de aarde en
onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op
de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht
tot in alle eeuwigheden. En de vier dieren zeiden: Amen. En de oudsten wierpen
zich neder en aanbaden" (Openbaring 5:11-14). Christus is boven de engelen "Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de
afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft,
na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de
rechterhand van de Majesteit in den hoge, zóveel machtiger geworden dan
de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft"
(Hebreeën 1:3,4). Wij hebben al vernomen dat Christus aanbidding
toekomt, hoewel wij engelen niet mogen aanbidden. Dit bewijst dat Christus
boven de engelen is. Volgens Kolossenzen 1:15-17 heeft Christus de engelen
geschapen. Soms wordt beweerd dat Christus de aartsengel
Michaël is. Ik zeg 'beweerd' want zoiets staat nergens in de Heilige Schrift.
Wel lezen wij over Michaël de aartsengel (Daniël 10:13,21; 12:1;
Judas 9; Openbaring 12:7). Maar nergens wordt er gezegd dat Michaël de
Christus is. Dat wordt zomaar 'erbij verteld' door de valse leraars. Wel is het
duidelijk uit de Schrift dat Michaël niet de Christus is. In Daniël
10:4-14 lezen wij over een verschijning aan Daniël van een 'man in linnen
klederen gekleed'. De beschrijving van de verschijning van Christus aan Johannes
in Openbaring 1:12-16 komt hiermee zodanig overeen dat wij moeilijk tot een
andere gevolgtrekking kunnen komen dan dat het Christus was die aan
Daniël is verschenen. En deze 'die er uitzag als een mens' spreekt in vers
dertien over de aartsengel Michaël die Hem geholpen heeft in de strijd met
de vorst van het koninkrijk der Perzen (Daniël 10:13). In de brief van Judas worden Christus (v. 1, 4, 17, 21,
25) en Michaël (v. 9) afzonderlijk genoemd. In 1 Petrus 3:22 lezen wij over "Jezus
Christus, die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen
en machten en krachten Hem onderworpen zijn". Behandeling van diverse teksten Nu bespreken we enkele teksten die soms worden
aangewend om de godheid van Christus te verloochenen. 1. In Matteüs 20:23 zegt Jezus tegen de zonen van
Zebedeüs "maar het zitten aan mijn rechterzijde en linkerzijde staat
niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is door mijn
Vader". Sommigen willen hierin een bewijs zien dat Christus minder macht
heeft dan de Vader. Maar deze tekst zegt niet dat Jezus te weinig macht had om
Jakobus en Johannes dit voorrecht te geven. Jezus kon hun verzoek niet inwilligen
doordat ze iets vroegen waarop ze geen recht hadden! Zij verlangden naar een
positie die al door Gods voorzienigheid was vervuld. 2. In Marcus 10:18 zegt Jezus aan de rijke jongeling: "Waarom
noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen". Er wordt dan soms
beweert dat Christus hier godheid ontkent. Maar in feite verbiedt Jezus deze man
niet Hem goed te noemen. Wel vraagt Hij hem waarom hij Hem zo noemde,
aangezien slechts God goed is. In Johannes 10:11 noemt Jezus Zich de goede
Herder. 3. Soms wordt de vraag gesteld: "Hoe kan Jezus Zelf God zijn,
aangezien Hij door God werd opgewekt? (Handelingen 2:24,31; 10:40;
17:30,31)". De Schrift leert inderdaad dat Jezus door de Vader werd
opgewekt. Soms stelt men dan spottend de vraag: "Indien Jezus God is,
heeft Hij dan zichzelf opgewekt?" Het bijbels antwoord hierop luidt: Ja!
Christus heeft inderdaad Zichzelf opgewekt! In Johannes 10:17,18 zegt Jezus:
"Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder
te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht
het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader
ontvangen". 4. In 1 Korintiërs 8:6 lezen wij: "Voor ons nochtans
is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie
wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en
wij door Hem". Soms beweert men dat aangezien er slechts
één God is, de Vader, Christus onmogelijk God kan zijn. Deze
redenering is echter niet logisch. Wie met deze tekst probeert te bewijzen dat
Jezus God niet is, moet ook zeggen om consequent te zijn dat God de Heer niet
is! Er staat trouwens ook dat er maar één Heer is, Jezus Christus.
In feite bewijst deze tekst dat Jezus wel God is, anders is Hij niet de enige
Heer. 5. In 1 Korintiërs 11:3 lezen wij: "Het hoofd van
Christus is God". Indien deze tekst bewijst dat Christus een lager wezen is
dan de Vader, zoals soms wordt beweerd, dan wordt er ook bewezen dat de
vrouw een lager wezen is dan de man, want er staat eveneens dat de man het
hoofd is van de vrouw. Maar de Schrift leert dat man en vrouw van
één vlees zijn (Genesis 2:23) en evenwaardig (Galaten 3:28). God is
het hoofd van Christus doordat Jezus Zich volledig aan de wil van Zijn Vader
onderwerpt. De man is het hoofd van de vrouw doordat de vrouw zich aan
haar man onderwerpt. 6. In 1 Korintiërs 15:28 lezen wij: "Wanneer alles
Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem
alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen". Wanneer iemand
zich onderwerpt is dit een vrijwillige daad. Hiermee wordt niet aangeduid
dat men in wezen minder is dan diegene aan wie men zich onderwerpt. Er staat
ook in de Schrift dat de vrouw zich aan haar man moet onderwerpen. Dit betekent
niet dat zij in wezen minder is dan de man. Dat Christus Zich aan de Vader zal
onderwerpen houdt verband met het voltooien van zijn verlossingswerk. Tijdens
de periode waarin wij nu leven, heeft de Vader alles in de hemel en op de aarde
(Matteüs 28:19) onder leiding van de Middelaar, de mens Jezus Christus,
gesteld (1 Timoteüs 2:5). Nadat Christus als strijdende Koning alles
onderworpen zal hebben, zal Hij Zijn volk naar de Vader leiden en Zich aan de
Vader onderwerpen. Dit betekent niet dat Christus zal ophouden Koning te zijn,
want volgens de Schrift (o.a. Lucas 1:33) blijft Hij Koning in eeuwigheid. Deze
waarheid wordt ook in Openbaring geleerd. Volgens hoofdstuk vijf kan behalve
het Lam niemand de boekrol openen. Wegens zijn godheid en zijn mensheid, is
Christus bevoegd tussen God en mensen Middelaar te zijn, en door Zijn bloed
verzoening te doen. Hij werd alle macht gegeven om deze taak te volbrengen.
Doch wanneer de laatste oorlog gewonnen is, is deze bijzondere taak vervuld. Dan
worden zowel de Vader als het Lam tot in eeuwigheid aanbeden (Openbaring 4:8
t/m 5:14). Wat dunkt u van de Christus? Indien u de Schrift gelooft, beseft u dat Christus mens
is, maar ook veel meer dan eenvoudig een mens. Hij is eeuwig. Hij heeft alles
geschapen. Hij is de Zoon van God. Hij is Heiland van de wereld. Hij is boven de
engelen. Hij is God, de Altijdzijnde. Wij moeten Hem eren gelijk wij de Vader
eren. Hij moest zich ontledigen om mens te worden, om mensen te redden. Nadien
heeft de Vader Hem verhoogd en Hem de naam boven alle naam
gegeven. "En de behoudenis is in niemand anders, want er
is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij
moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). "Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus
Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult
gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de
mond belijdt men tot behoudenis. Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem
zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Want er is geen onderscheid
tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over
allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want al wie de naam des Heren
aanroept, zal behouden worden" (Romeinen 10:9-13). "Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest
lijden en ten derde dage opstaan uit de doden, en dat in Zijn naam gepredikt
moest worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken" (Lucas
24:46,47). Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus,
tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des
Heiligen Geestes ontvangen" (Handelingen 2:38). "En nu, wat aarzelt gij nog? Sta op. Laat u dopen
en uw zonden afwassen, onder aanroeping van Zijn naam"
(Handelingen 22:16). "Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn
discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen
Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u
al de dagen, tot aan de voleinding der wereld" (Matteüs
28:19,20). Wat dunkt u van de Christus? "De genade des
Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes
zij met u allen" (2 Korintiërs 13:13).
Roy Davison
De schriftgedeelten in dit artikel zijn uit de Nieuwe Vertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 1951 (tenzij anders aangeduid).